Jan van Gilse

Symphony No.1

Symphony No.2

Symfony No.4

Funeral Music Thijl

Funeral Music Thijl (different concert)

Concert ouverture

Eine Lebensmesse start: 27:10

Nonet

Trio for Flute, Violin and Viola 

Sulamith: Cantata for three solo voices, choir, and orchestra (1901-02), after poems by Prince Emil von Schoenaich-Carolath (1858-1908)

String Quartet (unfinished) 1922

Drei Gesänge aus Rabindranath Tagore's Gitanjali


Jan van Gilse was a Dutch composer. He studied composition and conducting with Franz Wüllner at Cologne University (1897--1902). In 1902 he was awarded a prize for his First Symphony by the Beethoven Haus in Bonn. After studying with Humperdinck at the Akademische Meisterschule in Berlin, he worked as a conductor at the Bremen Opera, then at the Noord-Nederlandsche Opera in Amsterdam. In 1909 his Third Symphony was awarded the Michael Beer prize, which enabled him to work and study in Italy for two years. Afterwards he settled in Munich. During World War I van Gilse and his family returned to the Netherlands, and in 1917 he was appointed conductor of the Utrecht SO, with whom he gave many performances of works by contemporary French and Dutch composers. A conflict with the young Dutch composer Willem Pijper led to his resignation in 1922. After a short stay in Switzerland van Gilse settled in Berlin, where he started work on his autobiography (MS, NL-DHgm). He returned to the Netherlands, where he was appointed principal of the Utrecht Conservatory. In 1937 he resigned his position in order to devote himself to composition. In 1940 he completed his opera Thijl, based on the story of Tijl Uilenspiegel. After the Germans invaded the Netherlands in May 1940, van Gilse publicly opposed the banning of Jews from concert halls. After organizing a petition in protest against the Nazification of Dutch artistic life, he was accused of high treason and went into hiding.

During this period his two sons, also active in the resistance movement, were killed by the Nazis. Van Gilse could not cope with his grief and died after a short illness.
In addition to his work as a composer, van Gilse played a role in founding institutions designed to promote the interests of Dutch composers: the Genootschap van Nederlandsche Componisten (1911), the Bureau voor Muziek Auteursrecht (BUMA, the composers' performing rights society, 1913). In 1935 van Gilse founded the Stichtung Nederlandsche Muziekbelangen to promote the performance of Dutch music. The foundation's archive containing microfilms of Dutch music manuscripts became, after van Gilse's death, the basis of the publishing house Donemus (founded in 1947).
Van Gilse took a relatively long time to develop a personal style as a composer. His German training, and the music of Mahler especially, left its mark on his early works up to 1916. Those written during and shortly after his years in Utrecht (1917-1922) testify to his intensive study of the works of French composers such as Debussy, Ravel and Roussel, particularly in their use of short motifs, augmented chords, parallel harmonies and their striving after colourful, transparent orchestration. From these German and French influences, a synthesis gradually developed, culminating in the cantata Der Kreis des Lebens (1928-1929), the opera Thijl (1938-1940) and the unfinished declamation Rotterdam (1942). In these three works van Gilse achieved an individual style, which rejects the anti-Romanticism of the French-style works. In Rotterdam and Thijl he makes use of elements from folk music.


Jan van Gilse was een Nederlandse componist. Hij studeerde compositie en orkestdirectie bij Franz Wüllner aan de universiteit van Keulen (1897--1.902). In 1902 kreeg hij een prijs voor zijn Eerste symfonie van Beethoven Haus in Bonn. Na zijn studie met Humperdinck in het Akademische Meisterschule in Berlijn, werkte hij als dirigent bij het Bremen Opera, dan aan het Noord-Nederlandsche Opera in Amsterdam. In 1909 werd zijn Derde Symfonie bekroond met de Michael Beer prijs, die hem in staat stelde om te werken en te studeren in Italië voor twee jaar. Daarna vestigde hij zich in München. Tijdens de Eerste Wereldoorlog van Gilse en zijn gezin terug naar Nederland, en in 1917 werd hij benoemd tot dirigent van het Utrechts SO, met wie hij gaf vele optredens van werken van hedendaagse Franse en Nederlandse componisten. Een conflict met de jonge Nederlandse componist Willem Pijper leidde tot zijn aftreden in 1922. Na een kort verblijf in Zwitserland van Gilse vestigde zich in Berlijn, waar hij begonnen aan zijn autobiografie (MS, NL-DHgm). Hij keerde terug naar Nederland, waar hij werd benoemd tot directeur van het Utrechts Conservatorium. In 1937 trad hij zijn positie om zich te wijden aan compositie. In 1940 voltooide hij zijn opera Thijl, gebaseerd op het verhaal van Tijl Uilenspiegel. Nadat de Duitsers Nederland binnenvielen mei 1940, van Gilse publiekelijk tegen het verbod van Joden uit concertzalen. Na het organiseren van een petitie in protest tegen de Nazificatie van Nederlandse artistieke leven, werd hij beschuldigd van hoogverraad en dook onder. Gedurende deze periode zijn twee zonen, ook actief in het verzet, werden gedood door de nazi's. Van Gilse kon niet omgaan met zijn verdriet en stierf na een korte ziekte.

Naast zijn werk als componist, van Gilse een rol gespeeld bij de oprichting van instellingen om de belangen van de Nederlandse componisten te bevorderen: het Genootschap van Nederlandsche Componisten (1911), het Bureau voor Muziek Auteursrecht (BUMA, componisten 'uitvoeringsrechten maatschappij, 1913). In 1935 richtte Van Gilse de Stichtung Nederlandsche Muziekbelangen om de prestaties van Nederlandse muziek te promoten. Archief van de stichting met microfilms van Nederlandse muziek manuscripten werd, na de dood van Gilse, op basis van de uitgeverij Donemus (opgericht in 1947).

Van Gilse duurde een relatief lange tijd om een persoonlijke stijl als componist te ontwikkelen. Zijn Duitse opleiding, en de muziek van Mahler in het bijzonder, zijn sporen nagelaten op zijn vroege werken tot 1916. Die geschreven tijdens en kort na zijn jaren in Utrecht (1917--1.922) getuigen van zijn intensieve studie van de werken van Franse componisten als Debussy, Ravel en Roussel, in het bijzonder in hun gebruik van korte motieven, aangevuld akkoorden, parallelle harmonieën en hun streven naar kleurrijke, transparante orkestratie. Vanuit deze Duitse en Franse invloeden, een synthese geleidelijk ontwikkeld, culminerend in de cantate Der Kreis des Lebens (1928--1929), de opera Thijl (1938--1940) en de onvoltooide declamatie Rotterdam (1942). In deze drie werken gerealiseerd van Gilse een eigen stijl, waarbij de anti-romantiek van de Franse stijl werken verwerpt. In Rotterdam en Thijl maakt hij gebruik van elementen uit de volksmuziek.

Na zijn Utrechtse periode verbleef Van Gilse weer in Duitsland, maar met het aan de macht komen van Hitler verliet hij dat land in 1933. In dat jaar had Richard Strauss, die Van Gilse goed kende, hem gevraagd of hij zich op internationaal niveau wilde inzetten voor de rechten van componisten. Het op te richten instituut zou onder Duitse auspiciën komen. Van Gilse wees het aanbod van Strauss echter af. Hij vermoedde dat Nazi-Duitsland hem voor andere doeleinden zou gaan gebruiken.

Hij speelde een belangrijke rol in het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog. Nadat hij zich tegen het nationaal socialisme had uitgelaten, dreigde de Duitse bezetter hem met gevangenschap. Kort voor een Duitse inval in februari 1942 op zijn woning in Amsterdam moest hij onderduiken. Met zijn vrouw Ada vluchtte hij van het ene naar het andere onderduikadres. Intussen executeerde de bezetter hun beide nakomelingen, een half jaar na elkaar: op 1 oktober 1943 Maarten (Mik), de jongste, en op 28 maart 1944 Janric, de oudste. Beiden waren fanatieke verzetsstrijders. Op zijn laatste onderduikadres, bij collega-componist Rudolf Escher in Oegstgeest, werd Jan van Gilse ernstig ziek. Na een ziekbed van enkele maanden stierf hij op 8 september 1944. Hij was dus uit handen van de bezetter gebleven. Ter bescherming van zijn nabestaanden werd hij onder een valse naam begraven.

JAN VAN GILSE Wandelend door Oegstgeest. kwam ik te staan voor het huis, waar in de oorlog de componist Rudolf Escher woonde. Dat huis, dat daar zo stil en vredig ligt, zou een zeer emotioneel verhaal kunnen vertellen, van wat er zich daar in de oorlog afspeelde.

Wat is nl. het geval ? De Duitsers zochten een collega van Rudolf Escher nl. de componist Jan van Gilse. Deze in 1881 geboren Rotterdammer was een felle verzetsman. Zijn beide zonen, die eveneens in het verzet zaten, werden door de Sicherheitsdienst (SO) doodgeschoten en men zocht Jan van Gilse, om hem waarschijnlijk hetzelfde lot te laten ondergaan. Zwervend en onderduikend van het ene adres naar het andere, kwam hij tenslotte in Oegstgeest terecht. Hij had in het begin van de oorlog gewerkt aan een opera; Thijl. Deze Thijl, symbool van het verzet tegen Spanje in de 80-jarige oorlog, doet denken aan het verzet tegen de Duitsers. Niet alleen dat de SO Van Gilse zocht, ook de uitvoering van zijn composities werd verboden en in het bijzonder de opera Thijl. Jan van Gilse nam de partituur steeds op zijn omzwervingen mee. Daar hij bang was dat de partituur verloren zou gaan, werd deze verstopt in een huis in Nunspeet. Op een dag werden alle bewoners gevangen genomen en wist de verzetsstrijder IJzerman (later gefusilleerd) later het huis binnen te dringen en de partituur te redden. De volgende dag werd het hele huis door de SD onderzocht. Jan van Gilse was inmiddels zwaar ziek en De ouderlijke woning van Rudolf Esseher aan de Dorpsstraat (tegenwoordig Groenhoeve/aan) waar Jan van Gifse was ondergedoken. 29 opgenomen in het Diaconessenhuis, dat toen tijdelijk ondergebracht was in het Zendingshuis te Oegstgeest. Daar bleek, dat hij kanker had. 8 september 1944 overleed hij daar. Hij kon niet onder zijn eigen naam begraven worden, daar de Duitsers dan ook de familie Escher gevangen zouden kunnen nemen. Zo werd hij begraven onder de schuilnaam Dudok van Heel bij het Groene Kerkje in Oegstgeest. Daar is zijn graf nog te zien onder nr. 343.

Op dat graf heeft na de oorlog zijn vriend Mari Andriessen (broer van Hendrik) en maker van de "Dokwerker", een monument gemaakt, voorstellend een man, vallend, het zwaard in de rechter- en in de omhoog geheven linkerhand een lier. De vrouw van Jan van Gilse, die daar eveneens begraven ligt, heeft in 1963 een boek over haar man gepubliceerd, waarin men lezen kan, dat Jan van Gilse het leed vóór de oorlogsperiode ook niet gespaard gebleven is. Hij ging na zijn studietijd in Rotterdam verder muziek studeren aan het Conservatorium in Keulen. AI spoedig bleek, dat zijn composities belangstelling trokken, zodat enkele symfonieën van hem in Duitsland werden uitgegeven. Hij werd verbonden als dirigent aan de opera van Bremen. Verder dirigeerde hij nog in München en Berlijn. Door de lage levensstandaard Duitsland, als gevolg van de eerste Wereldoorlog, ging Jan van Gilse naar Utecht en werd er dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (U. S.O.) Dat orkest werd verpacht door de Sociëteit Tivoli tegen zeer laag honorarium. Jan van Gilse wist met 30 heel veel strijd het U.S.O. los te maken van Tivoli en er een moderne Concert instelling van te maken. Veel tegenstand heeK hij daarbij ondervonden, zodat hij, die zeer emotioneel was en geen blad voor zijn mond nam, vaak overspannen raakte. Daarbij kwam, dat de recensent van het Utrechts Dagblad, Willem Pijper, zeer negatieve kritieken schreef over de dirigeerkunst van Jan van Gilse.

Uit alles bleek, dat Pijper Van Gilse een slecht dirigent vond en hem uit Utrecht weg wilde hebben. Jan van Gilse, die een zenuwcrisis nabij was, legde tenslotte zijn taak neer en nam ontslag . Zeer tot ongenoegen van vele beroemde solisten, die met hem samengewerkt hadden en voor publiek, dat op de hand van Jan van Gilse was. Een en ander heeft Ada van Gilse-Hooyen beschreven in het boek "Pijper contra Van Gilse". Een Jan van Gi/se (1881-1944). boek zeer boeiend om te lezen, dat een blik werpt in een muziekoorlog, die rond 1920 gevoerd werd in Utrecht tussen Tivoli en het U.S.O. en tussen Pijper en Van Gilse. Jan van Gilse is min of meer de oprichter geweest van BUMA (Bureau voor Muziekauteursrechten). Ook was hij medeoprichter van een instelling, die zich beijverde hedendaagse composities van Nederlandse componisten uit te voeren. Deze instelling heette MANETO (manifestatie Nederlandse Toonkunst). Zo'n concert heb ik meegemaakt op 15 december 1 940 in de Stadsgehoorzaal in Leiden. Toen speelde het Rotterdams Philharmonisch Orkest olv. Eduard Flipse werken van Diepenbroek, Smulders, Guillaume Landré, Badings, Jan van Gilse, en Bertus van Lier. De beide laatsten dirigeerden zelf hun composties. Jan van Gilse heb ik toen zijn compositie "Prologus brevis" zien dirigeren.

Tekst o.a. van Ab van Kapel